CAW Versterkt Welzijn

CAW

U bent hier:
print

Familiaal geweld en het Algemeen Welzijnswerk

Het algemeen welzijnswerk bestaat uit 27 Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) in Vlaanderen en Brussel. Het algemeen welzijnswerk groepeert meerdere hulpverleningsvormen, waaronder residentiële hulp (vluchthuizen, crisisopvangcentra, vrouwen- en mannenopvangcentra) en gezins- en relationeel werk of slachtofferhulp. Alle hulpverleners die hier werken komen vroeg of laat met het thema familiaal geweld in contact. 

Een thema in vele werksoorten

Slachtoffers van een misdrijf (waaronder familiaal geweld) komen terecht bij de diensten voor slachtofferhulp en vrouwelijke slachtoffers van partnergeweld in vluchthuizen. Het algemeen welzijnswerk heeft een daarnaast een hulpverleningsaanbod voor plegers van familiaal geweld. In het kader van alternatieve gerechtelijke maatregelen worden plegers van familiaal geweld ook begeleid na een veroordeling. Het project 'Time Out' geeft een groepstraining aan plegers van partnergeweld. Deze training kan zowel vrijwillig gevolgd worden als opgelegd. Het project 'Partnergeweld' heeft een aanbod voor koppels. Het Steunpunt werkt op dit moment een groepsvorming uit voor kinderen 'Let op de kleintjes'.

  

terug naar vorige pagina

Vluchthuizen en vrouwenopvangcentra

Het algemeen welzijnswerk beschikt over 17 vrouwenopvangcentra en 7 vluchthuizen, samen vangen ze jaarlijks zo'n 354 vrouwen op. Meisjes en vrouwen die zonder onderdak komen te zitten, kunnen ook terecht in crisisopvangcentra (144 bedden), opvangcentra voor jongeren (131 bedden) en centra voor koppel- of gemengde opvang (169 bedden). Begeleid wonen beidt een alternatief of vervolgtraject.

 

In 2003 namen de vrouwenopvangcentra en vluchthuizen samen 1.932 cliënten op. Deze vrouwen namen 524 kinderen mee. Ongeveer de helft van de vrouwen in de opvang woonde vooraf in het eigen gezin. Iets minder dan de helft van de vrouwen blijft niet langer dan één maand in het centrum. De andere vrouwen verblijven tussen 1 en 6 maanden. Een langer verblijf is zeldzaam.

 

We mogen stellen dat vluchthuizen en vrouwenopvangcentra op meer dan volle capaciteit draaien. De gemiddelde bezettingsgraad ligt rond 85%. Op zich is dit reeds een hoge bezettingsgraad, bijvoorbeeld in vergelijking met deze in ziekenhuizen. Maar deze gemiddelden verbergen ook piekmomenten, ze hebben betrekking op het aantal bezette bedden en niet op het aantal bezette kamers. De variatie tussen de centra is bovendien groot. De bezettingsgraad varieert tussen 61% en 106% voor de vrouwenopvangcentra en tussen 51% en 100% voor de vluchthuizen. In één op drie centra is het aantal bedden op jaarbasis voor meer dan 90% bezet. De bezettingsgraad is slechts één indicator. De intensiteit van de begeleiding, de samenstelling van het gezin (aantal kinderen), de zwaarte van de individuele problematiek, de belasting van het groepsleven en de diversiteit aan nationaliteiten en culturen bepalen evenzeer de druk op deze vorm van hulpverlening.

 

Niet op alle hulpvragen kan worden ingegaan. In 2006 kregen de vrouwenopvangcentra 2.641 vragen voor opname, de vluchthuizen 2.228. Dit betekent dat de helft van de vrouwen die langs het onthaal kwam niét werden opgenomen. Voor een deel van deze mensen volstond een advies, doorverwijzing of hulp zonder opvang. Voor het grootste deel kon geen hulp gegeven worden wegens plaatsgebrek.

 

Heel veel vrouwen die na de opvang hun eigen leven terug willen opnemen, hebben het moeilijk om een huis te vinden. Het gevolg is dat de opvangcentra ‘dichtslibben’. Voor vrouwen die er klaar voor zijn, is het huren van een woning op de privé huurmarkt te duur. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat de meeste vrouwen terugkeert naar huis en het, met wisselend succes, opnieuw probeert met de partner.

 

De cijfers komen uit Tellus 2003 en 2006 – Tellus is de cliëntregistratie van de autonome Centra voor Algemeen Welzijnswerk.

 

terug naar vorige pagina

Hoe kunnen we helpen?

De hulpverlening in vluchthuizen en vrouwenopvangcentra moet de vrouwen sterker maken (‘empowerment’). Hulpverleners werken aan het leren stellen van grenzen en de onafhankelijkheid van de vrouw. Zo willen we haar weerbaar en zelfredzaam maken.

 

Het leven in een leefgroep geeft de vrouw geeft een gevoel van veiligheid. Ze vertellen hun verhaal. Ze steunen elkaar. Een aantal vrouwenopvangcentra heeft naast groepsopvang ook studio-wonen en/of begeleid wonen. Sommige vrouwen voelen zich beter op een eigen appartement en zetten zo sneller de stap naar een nieuw leven. Zij kunnen steeds terugvallen op een hulpverlener.

 

De cliënten van vluchthuizen hebben niet allemaal de bedoeling hun partner te verlaten. Een kleine meerderheid wel. En twee op drie worstelt nog met haar relatie. Eén vrouw op tien wil gewoon even op adem komen en daarna terug naar huis.

 

De meeste vrouwen geven aan dat ze willen dat het geweld stopt, maar niet de relatie. Misschien moeten we daarom meer werken aan het begeleiden van beide partners naar een veilige terugkeer. Enkel werken met de vrouw en hoe zij haar grenzen kan aangeven, is niet voldoende. De partner betrekken om verantwoordelijkheid te nemen voor het geweld is nodig. Samen zoeken we dan naar manieren om met conflicten om te gaan.

 

Allochtone vrouwen en meisjes zijn een belangrijke doelgroep. Onze hulpverlening gaat uit van respect voor de grenzen die de cliënt zelf trekt. We willen het ‘ik’ van de cliënt versterken. Maar problemen en conflicten doen zich bij allochtonen dikwijls voor in relatie tot de familiale, religieuze en politieke situatie in haar gemeenschap. Deze benadering van het conflict verdwijnt uit het oog als het individu alleen centraal staat. Het ‘ik’ kan alleen versterkt worden in relatie tot het ‘groep-ik’. Het systeem van relaties en de codes die daarin van belang zijn, moeten bij de hulpverlening worden betrokken.

 

terug naar vorige pagina

Aandacht voor kinderen

Kinderen zijn ongewild getuigen van familiaal geweld. Kinderen die met hun moeders mee vluchten naar vluchthuizen, crisisopvangcentra en vrouwenopvangcentra hebben geweld, angst en vernedering ondergaan. Dikwijls voelen ze zich schuldig, beschaamd en machteloos. Ze hebben passief moeten toezien hoe diegene waarvan ze houden werd mishandeld. Bovendien betekent een opname in een opvangcentrum het verlies van hun vertrouwde omgeving.

 

De gevolgen voor het kind zijn uiteenlopend. Sommige kinderen raken erg geïsoleerd. Anderen blijken dan weer juist heel veerkrachtig en sociaal vaardig. Sommigen vertonen gedragsproblemen, anderen hebben last van psychosomatische klachten. Puberteitsproblemen worden groter. Sommigen worden later zelf plegers, maar dit is niet vanzelfsprekend. De meerderheid van kinderen die mishandeld zijn blijken later zorgzame ouders te worden (Dutton, 1994, Widom, 1989).

 

De moeders behouden in de opvang de volledige verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Hulpverleners worden verondersteld afstand te houden, tenzij er iets misloopt. In elk vluchthuis is er een kinderwerking met een speciale kinderbegeleidster. De jongste jaren wordt steeds meer aandacht besteed aan het algemene welzijn van het kind. Kinderen ondergaan het leven in een vluchthuis als een ingrijpende verandering. Dat vergt extra aandacht en begeleiding. Men werkt actief aan de moeder en kindrelatie, om te zorgen dat de schade aan het kind niet wordt vergroot.

 

Vroeger werd de partner resoluut geweerd. Daar is men ondertussen van afgestapt, in het kader van de integrale hulpverlening. Hulpverleners zullen kijken of en hoe het kind contact kan houden met zijn of haar vader. Daarbij wordt rekening gehouden met de wensen van het kind zelf, en de rechten van de vader. De veiligheid primeert echter altijd, zowel het kind als de moeder moeten veilig zijn en blijven. 

 

 

terug naar vorige pagina


affiche partnergeweld - wat met een schreeuw begint mag nooit in stilte eindigen (tv-spot)